Van een autistisch naar een verbindend landschap

De nieuwe omgevingsvisie van Reusel-De Mierden - Interview met Theo Hendriks en Hubert van Hout

Het ruimtelijke toekomstplaatje van Reusel-De Mierden is in de zomer van 2018 vastgelegd, zo valt op de gemeentelijke site te lezen. Een kleine mededeling, die nauwelijks recht doet aan het grootse proces van de afgelopen jaren. Theo Hendriks en Hubert van Hout zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van deze visie. Die in meerdere opzichten bijzonder te noemen is. Zo bevat de visie geen gedetailleerd plan, maar beschrijft het een richting. Waarbij tien keuzes gemaakt zijn, die essentieel zijn voor de toekomst. Op welke plek woningbouw bijvoorbeeld wenselijk is, maar ook hoe de intensieve dierhouderij zich verhoudt, en waar natuur zijn plek vindt, of hoe de kernen zich ontwikkelen. Een weerslag van dit gesprek.

Als ik Theo vraag, hoe hij eigenlijk bij dit project betrokken geraakt is, valt eerst een korte stilte. Hendriks werkt voor de gemeente Eersel en is daarnaast zelfstandig adviseur bij Kempenadvies en in die hoedanigheid betrokken bij de totstandkoming van de omgevingsvisie van Reusel-De Mierden. ‘Toen ik met die omgevingsvisie begon, heb ik wel eens gekscherend gezegd: dikker dan tien pagina’s moet dat niet worden; want meer pagina’s: dat is alleen voor fijnproevers.’ Om dikke nota’s te vermijden vroeg Hendriks zich af waar het in Reusel-de Mierden nu echt over zou moeten gaan. Eigenlijk was dat voor iedereen wel helder: de gemeente behoort tot de veedichtste gemeenten van Nederland. Oftewel: de spreekwoordelijke olifant in de kamer. Met alle gevolgen van dien. De sfeer in de gemeente leed er onder: ‘Iedereen voelde de druk; inwoners van de gemeente hadden last van de veedichtheid, terwijl ondernemers de marktdruk voelden.’

De logische vraag is dan, hoe je uit zo’n impasse komt ‘Daarvoor hebben we een metafoor van stal gehaald: die van het oude Kempische landschap. Een landschap met een mix van ‘armoede en ruimtelijke consequenties.’ Armoede die tot en met de jaren vijftig in ruimtelijk opzicht bepalend was voor het gebied. Een gebied dat voornamelijk uit beekdalen en arme gronden, heidegronden bestond. Waar menselijk ingrijpen geleidelijk aan verandering in begon aan te brengen: door droog te leggen, in te polderen, maar ook te verrijken door kunstmest. ‘Het maakte dat niet langer het landschap ‘besliste’ hoe je je brood kon verdienen, maar dat de mens meer en meer bepaalde.’ Dit Kempisch landschap is daarmee zowel ‘cultuureigen’ als bindend: ‘dus hebben we gekeken, hoe dat landschap zich de afgelopen honderd jaar heeft ontwikkeld.’ Hendriks: ‘dat heeft tot een ‘autistisch landschap’ geleid.’

‘Het maakte dat niet langer het landschap ‘besliste’
hoe je je brood kon verdienen, maar dat de mens
meer en meer bepaalde.’

Een autistisch landschap? Prachtige term, leg eens uit wat je daarmee bedoelt? Kijk maar eens naar de manier waarop onze leefomgeving in de afgelopen vijftig jaar is veranderd, ten opzichte van het landschap van zo’n honderd jaar geleden. In verhalen over ‘vroeger’ hoor je eigenlijk bijna altijd die meanderende beekdalen, de bloeiende heidegronden, koeien in de wei onder een boom doorklinken. Ze vormen een collectieve herinnering: soms door de verhalen van opa en oma, soms nog uit eigen herinnering. En kijk dan eens, waar we het anno nu over hebben! Dan vallen termen als LOG’s, uitleglocaties, en de inpassing van de snelweg.

Waarmee je wil zeggen, dat…? We kunnen natuurlijk niet meer zonder snelwegen en zonder veeteelt, maar ‘doen’ we dit allemaal nog wel op de goede plek? Ik vind dat we dus autistisch met het landschap zijn omgegaan: het kan, dus doen we het. En eigenlijk past dat niet. Of, in ieder geval, niet meer. Mede door het veranderende klimaat worden de beekdalen nog natter. Is het dan nog wel verstandig om daar aardappelen te willen telen? De industrialisatie van de veeteelt heeft ervoor gezorgd dat de verhoudingen tussen land- buurtschappen en de boeren verder onder druk staan.

Zorgt die druk ervoor dat we afscheid moeten gaan nemen van die intensieve veeteelt? Even valt een korte stilte. Een denkpauze.  Zuchtend … er heeft natuurlijk een geweldige industrialisatie van de veeteelt plaatsgevonden. Zonder te zeggen, of dit goed of slecht is, is die veeteelt er. En dus moeten we met elkaar nadenken over de toekomst van Reusel-De Mierden. In de toekomst is er uiteraard ook veeteelt nodig. En dat kan ook. Maar we moeten beter dan de afgelopen jaren kijken naar de plek, waar we dan ‘boeren’. Anders gezegd: ‘In Reusel kan alles, maar wel op de goede plek!’

Hoe zit die toekomst er dan uit? Beekdalen, die meanderen. Veeteelt die op een plek zit, waar vroeger ook geboerd werd. Dat klinkt allemaal een beetje historiserend. Als er ooit een karrenspoor gelopen heeft, dan kan en mag dat best uitgroeien tot een snelweg, want dan past het. Of is dat te simpel geredeneerd? Het landschap bepaalt uiteindelijk zelf wel, hoe groot dat ‘laadvermogen’ van het landschap is. Een buurtschap zal daardoor niet (moeten willen) uitmonden in een VINEX-wijk. Maar organische groei: dat snappen we allemaal. Dat geldt ook voor de veeteelt en het buitengoed. We kunnen ‘repareren’. En dat moeten we dan ook doen.

Repareren? Hoe dan? Door gewoon weer opnieuw in te grijpen in dat landschap. Dat doen we natuurlijk al jaren. Landschappen veranderen. Net als woonomgevingen. Zo is er ooit in de jaren zeventig in Eersel een wijk van 400 woningen voor DAF- en Philips werknemers ontworpen. Die kwamen uit heel Nederland naar Eersel toe. Om er te werken. Nu is de samenleving internationaler: rond Eindhoven ontstaan nu wijken voor de Chinese studenten en werknemers die vanwege de TU naar Eindhoven zijn getrokken. Zo grijpen we steeds in het landschap in. Maar, dat ingrijpen kent ook een grens: in Eersel is er nu geen uitleglocatie meer voorzien, het moet anders. En op diezelfde manier kunnen we kijken naar het laadvermogen van het landschap in Reusel-De Mierden. Daar is de veeteelt de afgelopen decennia sterk gegroeid. Reusel is Pig City.

Pig City? … Dat was een beetje een provocerende stelling van ons. Onder het motto ‘van zaadje tot karbonaadje’ kan je die aanwezigheid van de veeteelt in De Mierden uitvergroten, er het meest belangrijke element van de omgeving van maken. Alles in het licht zien, van de vleesverwerkende industrie, van begin tot aan het moment dat het varkenslapje bij de consument op het bord ligt. Dat is een heftig, maar ook niet een totaal ondenkbaar toekomstbeeld. Zo hebben we iedereen wakker geschud: zo extreem moeten we niet willen denken. Aan de andere kant werd zo ook wel heel helder, dat veeteelt en Reusel-De Mierden onlosmakelijk met elkaar verbonden lijken. En dat je elkaar op de goede plek ruimte moet geven.

Het landschap bepaalt uiteindelijk zelf wel, hoe groot dat ‘laadvermogen’ van het landschap is.

Eindelijk mengt Hubert zich in het gesprek. Op rustige toon licht hij toe. ‘We hebben het hier natuurlijk wel over een – aangewezen, voegt hij er later nog aan toe – Landbouwontwikkelingsgebied (LOG).’ Een plek waar grootschalige veeteelt (in de vorige reconstructie) nu juist ‘ruimtelijk ingepast’ is. Dus waar de aanwezigheid van grootschalige veeteelt dus ook niet gek is. ‘Hubert is een van de architecten van deze reconstructie’ voegt Theo toe. Theo heeft op zijn beurt, zo vertelt Hubert schwung aan de nieuwe omgevingsvisie gegeven. ‘Je hebt bevlogen mensen nodig. Die op een nieuwe manier durven kijken.’ Dan vallen termen als ‘diep kijken’ (naar het verleden, naar de achtergronden), ‘breed kijken’, waarmee wordt bedoeld dat er zoveel mogelijk in samenhang naar het gebied gekeken moet worden en ‘rond kijken’ waarbij alle belanghebbenden hun zegje kunnen en mogen doen. Begrippen, die inmiddels sturend zijn geworden in de Brabantse Omgevingsvisie.

Terug naar de omgevingsvisie van Reusel-De Mierden. Hoe zorg je er nu voor dat er in een woon, leef- en werkgemeenschap nieuwe verhoudingen kunnen ontstaan? Waarbij ruimtelijke kwaliteit een drijfveer is? Allereerst hebben we de tijd genomen om gezamenlijk te onderzoeken, wat we nu echt onder een duurzame locatie zouden verstaan. In vijf werkgroepen (eentje over beleving en communicatie, een werkgroep ‘verkeerskundig model’, ‘gezondheidsaspecten mens-dier’, ‘bedrijfsvoering, duurzaamheid en innovatie’ en een werkgroep ‘ruimtelijke strategie en uitvoerbaarheid’) is dat denken begonnen. Naast ondernemers en inwoners zijn experts van buiten ingevlogen: wetenschappers uit Wageningen, Utrecht, innovatoren van de TU Eindhoven en deskundige van de GGD. Om inzichten te delen, te toetsen en ons denken aan te scherpen.

Waar leidde dat denken toe? Bijvoorbeeld tot het afwegen van afspraken, regels en overeenkomsten die in het verleden gemaakt zijn. Waarbij we ons hebben afgevraagd of we die afspraken in hun waarde konden laten. Of dat we meer zouden moeten willen handelen in de geest van de overeenkomst, niet strikt naar de letter. Zo ontstond een gedetailleerde schets van het gebied, waarbij alle ondernemingen ‘gewogen’ werden op basis van zes criteria. Op basis van deze criteria bleek, dat een aantal bedrijven zeker toekomstbestendig waren, maar dat bedrijven op andere plekken het in de toekomst moeilijk zouden kunnen krijgen. Opvallend was, dat deze bedrijfseconomische inschatting bijna een-op-een paste op de Ruimtelijke Strategiekaart, die in 2015 was opgesteld. De oude waarden van het gebied (met beekdalen, buurtkernen en heidelandschappen) wierpen als het ware hun schaduw vooruit. ‘Waarbij weer blijkt dat dit oude landschap toch dwingender is, dan we wellicht ooit dachten.’

Bedrijven die in de kern van een buurtschap zitten, ondervinden door die ligging nu al veel beperkingen: bijvoorbeeld in logistiek opzicht. Immers, verkeer dat dwars door een dorp leidt, is behalve vervelend voor de inwoners, ook inefficiënt voor de ondernemer. Ook uitstoot is aan strenge regels onderworpen. Om de verspreiding van dierziekten te voorkomen, moeten bepaalde afstanden in acht genomen worden. Kortom: het ‘oude’ boerenbedrijf rond en in de kern van een buurtschap kent op termijn te veel beperkende factoren om economisch te kunnen renderen. Zo komt ruimte, economie én leefbaarheid op een mooie manier bij elkaar.

Uiteindelijk leidt al dit denken tot de schets van een panorama van de toekomst. Met daarin zes soorten gebieden met het primaat Landbouw, Bos en natuur, water en klimaatadaptatie, landschap, bestendigen van de bestaande situatie en ruimte voor herontwikkeling en transformatie.  Binnen deze gebieden, die een duidelijke relatie met het landschap hebben, zijn er voor de landbouw twee soorten ontwikkelingsmogelijkheden. Aan de ene kant is dat de ‘duurzame ontwikkeling’ (waarbij verduurzaming voorwaarde is en er wordt voldaan aan alle criteria) en aan de andere kant is dat de ‘duurzame ontwikkeling ++ (alleen mogelijk als er op technologisch vlak zoveel voortgang geboekt wordt dat er ‘0’ uitstoot gerealiseerd kan worden).

Van Hout: op die manier ontstond geleidelijk aan een inclusieve en integrale kijk op het gebied die recht doet aan inwoners, boeren en andere gebruikers van het gebied. De uitkomsten uit de businesscase zijn integraal verwerkt in de definitieve Omgevingsvisie die door de gemeenteraad unaniem is vastgesteld. Met succes: het onderlinge vertrouwen is herstellende. En dat is maar goed ook, want uiteindelijk ‘is de intensieve veehouderij onlosmakelijk met Reusel verbonden.’  

Gerelateerd

Informatiebijeenkomst over Nationale Omgevingsvisie

In wat voor land willen we graag leven? Niet iedereen denkt daar hetzelfde over. De een ziet een bruisende metropool...

Omgevingsverordening bundelt regels voor leefomgeving

Alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving staan voortaan bij elkaar in één digitaal document: de...

Rad van Participatie op zomertoer

Het Brabantse ‘Rad van Participatie’ was ook deze zomer op pad. Op 18 juni stond het rad op het Omgevingsfestival voor...

Training ‘Samenwerken met de Omgevingswet’

Training 'Samenwerken met de Omgevingswet' is vernieuwd en je kunt je weer aanmelden ! De Omgevingswet komt eraan! We...