Tourblog verdiepingssessie 5: Instructieregels aan waterschappen

16 november 2020

De laatste verdiepingssessie zit erop. Dat bekent dat ‘Etappe 2: Verdieping’ is afgerond. Op maandag 16 november spraken we met 28 deelnemers over de instructieregels aan waterschappen.

Presentaties

We geven je graag een impressie van de verdiepingssessie via deze blog. Daarbij kun je de presentatie met de resultaten van onze mentimetervragen downloaden als hulpmiddel tijdens het lezen.

Nieuw voor waterschappen

Van waterwegbeheer tot peilbesluiten, alles wat waterschappen tot nu toe kennen over instructieregels komt terug in de verordening. Maar wat is er dan precies nieuw in de verordening voor een waterschap? Wat we voorheen in losse afspraken vastlegden doen we nu als één geheel, zoals afspraken over de frequentie van toetsing en de wijze van rapporteren. Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming, is er ook een instructieregel opgenomen richting het waterbeheerprogramma.

Het grootste deel van de aangesloten deelnemers vindt de instructieregels helder. Naast de instructieregels voor waterschappen zijn er echter ook nog andere waterthema’s opgenomen in de verordening, namelijk: grondwaterbescherming, zwemwater en ruimtelijke doorwerking van diverse wateronderwerpen. Binnen dat eerste thema praten we dan vooral over de bestaande bescherming van drinkwaterwinningen en nieuwe regels rondom bodemenergie en grondwaterverontreiniging. Bij het thema zwemwater verdwijnen bestaande regels en worden zwemlocaties aangewezen, waarbij bepaalde voorwaarden gelden. Denk dan aan het opstellen van een zwemwaterprofiel en een veiligheidsonderzoek. De ruimtelijke doorwerking gaat vooral in op de instructieregels voor gemeenten. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met voldoende ruimte voor water. Onderwerpen als de attentiezone waterhuishouding, ruimte voor het behoud en herstel van watersystemen en waterveiligheid zijn onder andere terug te vinden in de verordening.

Het gesprek voeren als één overheid

Waar moeten waterschappen nou precies de aandacht op vestigen in de omgevingsverordening? Dit was een vraag die al snel aan bod kwam tijdens de sessie. Waterschappen gaan niet over de openbare ruimte, daar gaan gemeenten over. Waar focus je dan op als waterschap? Het is dus van belang dat waterschappen zich ook verdiepen in de vraagstukken waar gemeenten aan werken.  Gemeenten staan voor tal van opgaven in de openbare ruimte. Waterschappen kunnen daar op in spelen en zo beter het gesprek voeren als ‘één overheid’. De pilot vitaal buitengebied Zundert is hier een mooi voorbeeld van.

De watertoets komt aan bod als waardevol instrument om de waterbelangen veilig te stellen. In gebiedsprocessen is het soms fijn om afspraken vastgelegd te hebben voor een goede werkstructuur, maar het kan ook weinig bewegingsvrijheid geven om mee te denken. Binnen die bewegingsvrijheid kun je dan bijvoorbeeld onderhandelen over voldoende waterberging in woonwijken. Hoe ga je dat precies doen? Leg je een wadi aan? Of graaf je een sloot uit? Daar zit ruimte voor discussie.

Ook het huidige gemeentelijk rioleringsplan kan onder de Omgevingswet een bredere functie krijgen als ‘klimaatprogramma’. Hierin kijken gemeente en waterschap samen bijvoorbeeld naar het aandeel verhard oppervlak en groen én de mogelijkheden om water vast te houden.

Aandacht voor samenwerking

Er is dus ruimte om de invulling van opgaven met elkaar te bespreken, maar wie neemt de leiding in die discussie? Doet het waterschap dat? De provincie? Of de gemeente? Wiens verantwoordelijkheid is het dat alle partijen aan tafel zitten? Het was snel duidelijk dat dat afhankelijk is van het project of programma waarin alle partijen opereren. Gaat het om een dijkversterkingsprogramma? Dan staat de dijk natuurlijk centraal. Dat betekent niet dat daar geen andere mogelijkheden zijn, zoals het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Hierin kan meerwaardecreatie écht uitblinken.

De deelnemers van de sessie geven daarbij aan dat er meer aandacht nodig is voor de samenwerking tussen partijen. Als je in een laat stadium bij een plan betrokken wordt, zijn er nog maar weinig mogelijkheden om inbreng te leveren of aanpassingen voor te leggen. Als je in een heel vroeg stadium of op hoger schaalniveau mee mag denken, kan er vaak nog meer. De ontwikkeldagen met regionale overleggen én de regionale omgevingsoverleggen zijn bij uitstek dé plek om het over dit soort processen te hebben. Daar zitten gemeenten, waterschappen en de provincie met elkaar aan tafel en gaat het in het gesprek ook over het hogere abstractieniveau van samenwerking. In zo’n gesprek spreken we over alle grote ontwikkelingen in een bepaalde regio en maken de deelnemers afspraken met elkaar. En wie heeft dan precies de leiding bij een project? Dat ligt toch echt aan de overheid die op dat moment het beste past bij het project. Daarbij is het belangrijk om niet voor elkaar te gaan denken, maar vooral de samenwerking en afstemming op te zoeken. Maak gebruik van elkaars kennis, kunde en competenties.