Tourblog verdiepingssessie 4: Stedelijke functies

5 november 2020

Donderdag 5 november organiseerden we onze vierde verdiepingssessie. Tijdens de sessie discussieerden we over de ontwikkeling van stedelijke functies. Maar liefst 142 deelnemers sloten aan bij de sessie.

Presentaties

In dit blog geven we een impressie van de verdiepingssessie. We begonnen de sessie met een plenair gedeelte. Daarna volgden 6 deelsessies waarin de deelnemers in gesprek gingen over één specifiek onderwerp. De presentaties en resultaten van de mentimeters kun je downloaden, ter ondersteuning bij het lezen van dit blog.

Tegelijkertijd beschermen en ontwikkelen

Eén van de uitgangspunten van de verordening is het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving met goede omgevingskwaliteit. Dit gebeurt door diverse waarden ontwikkelen én te beschermen in samenhang met de ontwikkeling van maatschappelijk opgaven. Denk maar aan het Natuurnetwerk Brabant (NNB), de groenblauwe-, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, maar ook het waarderen van stilte en de bescherming van ons grondwater. Tegelijkertijd staan we voor veel maatschappelijke opgaven die ook een plekje nodig hebben. Het is de kunst om een evenwicht te vinden tussen het beschermen van waarden en de ontwikkeling van functies.

Dat geldt ook voor de ontwikkeling van stedelijke functies, zoals wonen, werken detailhandel en andere voorzieningen. Hierbij wil de concept Omgevingsverordening meer ruimte geven om in te spelen op de maatschappelijke vragen. Bijvoorbeeld voor nieuwe woonvormen, als daarbij ook waarden verder worden ontwikkeld of beschermd Dit doen we met meerwaardecreatie.

Nieuw in de verordening

Er zijn een aantal zaken nieuw in de verordening op gebied van duurzame verstelijking. Zo komen de zogenoemde ‘zoekgebieden’ te vervallen. Gemeenten moeten zelf afwegen waar de beste plek voor verstelijking is met de toepassing van de principes voor een evenwichtige toedeling van functies, zoals zorgvuldig ruimtegebruik en de diep-rond-breed methode. Wat ook nieuw is, is de aanduiding bebouw gebied, het opnemen van attentiezone geluid langs de provinciale wegen en de mogelijke ontwikkeling van collectieve woonvormen op bouwpercelen.

Ook het tegengaan van leegstand in kantoren, erfgoed, winkels en complexen en leegstaand agrarisch vastgoed is een belangrijk onderdeel van de verordening. Nieuw is het voorstel voor de bouw-sloopregeling. In Brabant is er veel leegstand op het platteland. Het liefste wil je dat een nieuwe functie in die bestaande gebouwen -op een goede plek- gevestigd wordt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. Daarmee voorkom je dat er weer nieuwe bebouwing moet worden opgericht in nog onbebouwd gebied en ga je leegstand tegen.

Daarbij is het wel belangrijk dat een hergebruiksfunctie past in zijn omgeving. Daarom wordt aan gemeenten gevraagd een ontwikkelingsrichting te maken: wat voor functies passen goed in een bepaald gebied? En wat zijn de effecten daarvan op de omgeving of op de leefbaarheid van kleinere kernen of de leegstand in het stedelijk gebied?

Deelsessie 1: De ontwikkelingsrichting met diep, rond en breed

De eerste deelsessie stond in het teken van de ontwikkelingsrichting, diep, rond en breed. Gedurende de sessie waren de meningen duidelijk. Het nut van de ontwikkelingsrichting wordt zeker gezien, maar er leven ook diverse vragen. Is dat niet dubbel met de omgevingsvisie? Hoe gedetailleerd moet die ontwikkelingsrichting dan precies zijn? En wanneer is er sprake van meerwaardecreatie? Het wordt vooral gezien als taak van de gemeente. De deelnemers vinden het maken van een ontwikkelingsrichting in het algemeen een goede zaak, waarvoor zij als gemeente de juiste kennis en expertise in huis hebben.

Deelsessie 2: Omgevingskwaliteit versterken

Het gesprek ging vooral over de bouw-sloopregeling. Het onderwerp verdient nog veel aandacht en er zijn ook leuke en goede ideeën opgehaald. Uit de discussie bleek dat het hierbij vooral draait om ontwikkelingsgericht werken. Veel deelnemers gaven aan hierover met elkaar te willen doorpraten.

Deelsessie 3: Omgevingskwaliteit en nieuwe woonvormen

De komende tien jaar hebben we te maken met een groei van huishoudens, waarvan 90 procent van die groei bestaat uit 65+’ers. Dat heeft gevolgen voor verschillende domeinen. Nieuwe woonvormen zijn behulpzaam bij het oplossen van veel vraagstukken die deze ontwikkeling met zich meebrengt. De ontwikkeling van nieuwe woonvormen wordt omarmt door de provincie; de ontwikkeling zal vaak in het stedelijk gebied plaatsvinden, dicht bij de voorzieningen. Maar er zijn ook mogelijkheden voor de ontwikkeling van collectieve woonvormen in het buitengebied. Voor collectieve woonvormen is een apart gedeelte opgenomen in de concept Omgevingsverordening (Artikel 4.59). In de IOV was de hoofdvraag ‘Past het in de omgeving’. In de concept Omgevingsverordening is de hoofdvraag: ‘Wat voegt het initiatief of gebruik toe aan de omgevingskwaliteit?’.

Er werden prikkelende vragen gesteld met de mentimeter, bijvoorbeeld ‘Moet je tijdelijkheid als harde voorwaarde verbinden aan nieuwe woonvormen?’ Uit de reacties op deze vraag blijkt dat de meeste deelnemers daarvan geen voorstander zijn. Zij vinden vrijheid in de verordening wenselijk om een eigen afweging te kunnen maken. Ook het splitsen van woningen blijft een heet hangijzer: is er dan meteen sprake van een collectieve woonvorm? De deelnemers waren het erover eens dat vooral gekeken moet worden of een woonvorm past in het gebied, in plaats van te kijken naar het aantal.

Deelsessie 4: Omgevingskwaliteit en leegstand, VAB’s

Tijdens deze deelsessie kwamen veel vragen binnen via de chatfunctie die ook nog na afloop van de sessie via de chat zijn beantwoord. Enkele deelnemers vroegen zich af hoe je ondernemers en ontwikkelaars zo ver krijgt om breder te kijken dan alleen het eigen project, en om daadwerkelijk meerwaarde te creëren. Hoe krijg je initiatiefnemers zover dat ze het geld bij elkaar leggen om bijvoorbeeld een recreatieve route aan te leggen, ook al is dat ingewikkelder dan dat ieder een mooi rijtje bomen om het eigen perceel toevoegt? In de praktijk is dat lastig, en een ondernemer is daar vaak niet mee bezig. De gespreksleider beaamt dat dit ook geen eenvoudige processen zijn en dat die vaak jarenlang duren. Maar er zijn ook goede voorbeelden waaruit blijkt dat het kan. Zoals de VAB-pilots in Zundert en Elsendorp, waar gemeente, ondernemers en inwoners echt met elkaar om tafel zitten en hun wensen en plannen gezamenlijk op tafel leggen.

Deelsessie 5: Omgevingskwaliteit en werklocaties

Bij deze deelsessie werd duidelijk dat de meeste deelnemers goed op de hoogte zijn van de regionale afspraken. Ook gaf het merendeel aan dat deze afspraken genoeg sturing bieden en er dus geen aanvullende regels in de omgevingsverordening nodig zijn. Dit laatste geldt ook voor het stimuleren van verduurzaming van werklocaties. Verder werd onder meer ingebracht dat afdrachten ten behoeve van rood met groen en kwaliteitsverbetering landschap allemaal op voorhand zijn gekoppeld aan ‘groene’ ontwikkelingen. Waarom niet de opgaven centraal stellen en bekijken of afdrachten ook niet benut kunnen worden voor stedelijke opgaven, bijvoorbeeld herontwikkeling van bestaande werklocaties?

Deelsessie 6: Omgevingskwaliteit bij duurzame verstedelijking – woningbouw

Voor woningbouw geldt dat in de nieuwe verordening het bestaand beleid wordt vervolgd. Deze beleidslijnen kennen gemeenten inmiddels al heel goed en daar is veel draagvlak voor. Er werden verhelderende vragen gesteld over het vervallen van zoekgebieden voor gemeenten. Sommige deelnemers staan hier positief in, want dit geeft ruimte om een eigen afweging te maken. Andere deelnemers vinden dit lastiger, in procedures moeten gemeenten dit namelijk nu zelf onderbouwen.