Tourblog verdiepingssessie 3: Landelijke functies

29 oktober 2020

Op donderdag 29 oktober vond de derde verdiepingssessie plaats, dit keer in het teken van de ontwikkeling van landelijke functies. Samen met ruim 177 deelnemers gingen we plenair én in diverse deelsessies erover in gesprek.

Presentaties

In dit blog schetsen we een beeld van de bijeenkomst. Na een kort plenair gedeelte zijn er 7 deelsessies gehouden. De presentaties van alle sessies en de informatie uit de mentimeter, zijn in een document achter elkaar gezet. De presentaties kan je gebruiken als ondersteuning bij het lezen.

Het creëren van een win-winsituatie

Eén van de uitgangspunten van de omgevingsverordening is het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Dit doen we door verschillende waarden te ontwikkelen én te beschermen. Denk maar aan het Natuurnetwerk Brabant (NNB), de groenblauwe-, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, maar ook het waarderen van stilte en de bescherming van ons grondwater. Tegelijkertijd staan we voor veel maatschappelijke opgaven die ook een plekje nodig hebben. Het is de kunst om een evenwicht te vinden tussen het beschermen van waarden en de ontwikkeling van functies.


Kijkend naar de landelijke functies is het dan bijvoorbeeld belangrijk om na te denken hoe we duurzame energie opwekken, hoe we met de veranderingen in ons klimaat omgaan en hoe we voedsel produceren. Het streven is om de verschillende opgaven te combineren zodat een ontwikkeling bijdraagt aan meerdere doelen. Dat noemen we meerwaardecreatie. Goede samenwerking tussen gemeentes, provincies, waterschappen, maatschappelijke organisaties, ondernemers en inwoners is daarbij erg belangrijk. Veel opgaven houden immers niet op bij de gemeente- of provinciegrens, denk maar aan de natuur.  

Nieuw in de verordening

Uitgangspunt van de omgevingsverordening is een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Om dat te bereiken is het belangrijk om goed na te denken hoe een opgave of functie past in een gebied en hoe je opgaven kan combineren zodat er win-winsituaties ontstaan door meerwaardecreatie.

Nieuw is het voorstel voor de bouw-sloopregeling. In Brabant is er veel leegstand op het platteland. Het liefste wil je dat een nieuwe functie in die bestaande gebouwen -op een goede plek- gevestigd wordt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. Daarmee voorkom je dat er weer nieuwe bebouwing moet worden opgericht in nog onbebouwd gebied en ga je leegstand tegen. Een win-winsituatie dus. Kritiek op het huidige beleid is vaak dat een initiatiefnemer een idee heeft dat hij/zij wil realiseren op een bepaalde plek. En dat de plekken waar al bebouwing staat voor dat initiatief niet geschikt zijn. Met de bouw-sloopregeling kan er meer maatwerk geleverd worden, bijvoorbeeld met de instelling van een sloopfonds. Want de initiatiefnemer kan op de gewenste plek, als die passend is, een nieuw gebouw oprichten terwijl er op een andere plek bebouwing gesloopt wordt. En dat draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit.

Ook nieuw is dat de bestaande rood-voor-groen regelingen zijn samengevoegd en dat veel detailvoorwaarden zijn vervallen. Daardoor ontstaat er meer ruimte voor maatwerk bij de toepassing van die regeling en is die breder inzetbaar. Doel en inzet van de regeling is het versterken van de omgevingskwaliteit; de rode ontwikkeling levert daarvoor de financiële middelen. Met deze regeling kan een gemeente doelen vanuit algemeen belang realiseren door een rode ontwikkeling -op een goede plek- toe te staan.

Informatieplicht: handig of bureaucratisch?

Een ander nieuw voorstel is om een informatieplicht op te nemen voor gemeenten over de toepassing van de regeling kwaliteitsverbetering landschap, de bouw-sloop regeling en een overzicht van de verstrekte tijdelijke omgevingsvergunningen.

Het doel daarvan is om ervaringen en kennis te delen en meer inzicht te krijgen in de effectiviteit van de inzet van die instrumenten en om aan iedereen duidelijkheid te bieden over de looptijd van de tijdelijke vergunningen. Wij vroegen wat onze deelnemers vonden van het idee van een informatieplicht. Veruit de meesten vinden dit wel een goed idee, maar vragen wel om een praktische invulling zodat het weinig extra werk voor gemeenten oplevert. Liefst digitaal, kan het DSO daar bijvoorbeeld bij helpen?

Deelsessie 1: De ontwikkelingsrichting diep, rond breed

De deelsessie over de ontwikkelingsrichting bracht een goede discussie op gang: wanneer mag je spreken van meerwaardecreatie? En wie bepaalt dat dan? Komen de initiatieven niet op de eerste plaats? Visies worden nog weleens ingehaald door concrete initiatieven, stellen enkele deelnemers. Verder was het grootste deel van de deelnemers het eens met de stelling ‘De aanpak met een ontwikkelingsrichting borgt en versterkt de omgevingskwaliteit op een integrale manier’, evenals dat zij het eens ware over de stelling ‘Met een ontwikkelingsrichting diep, rond en breed wordt tegemoetgekomen aan de gewenste flexibiliteit. Om nog meer input op te halen wordt deze sessie bij de volgende verdiepingssessie herhaald.

Deelsessie 2: Omgevingskwaliteit versterken

Wat vinden de deelnemers van de regeling kwaliteitsverbetering landschap en hoe werkt die in de praktijk? Moet die blijven, is aanpassing nodig en heeft die wel effect? In deze sessie kwam ook de nieuwe bouw-sloopregeling aan bod. Ga je nieuwe meters erbij bouwen in het buitengebied? Dan moet je elders ook iets slopen. Dit kan door middel van een sloopfonds, maar ook door letterlijk op een andere locatie meters te kopen en slopen. De meeste deelnemers zijn voorstander van meer sturing op sloop, bij voorkeur via een bijdrage aan een sloopfonds.

Sommige deelnemers zien liever geen verplichting wat kwaliteitsverbetering betreft, maar stellen voor dat per situatie een reële tegenprestatie gevraagd mag worden. Anderen pleiten voor een Brabant-brede regeling. Alle deelnemers zijn het wel eens dat er meer aandacht moet zijn voor de sloop van leegstaand vastgoed. De oproep is om oog te houden voor een goed uitvoerbare regeling. Diverse deelnemers gaven aan dat een verdere verdieping nodig is. 

Deelsessie 3: Ontwikkelen van omgevingskwaliteit

In de derde deelsessie was de rood-voor-groen regeling onderwerp van gesprek. Hierin gaven veel deelnemers aan het samenvoegen van de regelingen spannend te vinden. Het is belangrijk goed na te denken over de verdere uitwerking van de regeling. Maatwerk is vaak ook meerwerk. Hoe wordt dat geregeld in de praktijk? Een meerderheid van de deelnemers gaf aan dat het loslaten van de objectieve voorwaarden niet voor verrommeling zou zorgen. Belangrijk is om van elkaar te leren.

Deelsessie 4: Omgevingskwaliteit en basiswaarden

Bij deelsessie vier ‘Omgevingskwaliteit en basiswaarden’ stonden de gebieden centraal waarin waarden aanwezig zijn die vanuit het schaalniveau van de provincie om bescherming en ontwikkeling vragen. Door deze gebieden in de verordening op te nemen, kunnen gemeenten hiermee rekening houden bij de ontwikkeling van functies. In de sessie is vooral gesproken over het Natuurnetwerk Brabant en de gebieden met cultuurhistorische waarden. Concrete vragen gingen over de klimaatdoelen in relatie tot natuur. En: wat kan een gemeente doen met cultuurhistorische gebouwen die niet op de cultuurhistorische waardenkaart staan?

Deelsessie 5: Omgevingskwaliteit en ontwikkeling van agrarische functies

In deze sessie is vooral gesproken over de voorgestelde aanpassingen voor plantaardige teelten. Op dit moment zijn nog geen veranderingen opgenomen voor veeteelt en mestbewerking. Momenteel wordt voor landbouw en mestbewerkingsinstallaties nieuw beleid opgesteld dat op termijn nog tot wijzigingen kan leiden. Voor plantaardige teelten worden meer mogelijkheden geboden, zolang dit past bij de aanwezige functies en waarden in een gebied. Dat geeft enerzijds meer ruimte maar vraagt ook een goede afweging. De meeste deelnemers ondersteunen deze insteek maar er is ook zorg voor de kwaliteit van de gebieden met groenblauwe waarden.

Deelsessie 6: Omgevingskwaliteit en klimaataanpak

In de veelheid van opgaven bij gemeenten krijgt klimaatadaptie niet altijd de aandacht die het onderwerp verdient. Deelnemers geven daarom aan dat het goed is als de nieuwe verordening daarop steviger stuurt. Bijvoorbeeld in de vorm van een instructieregel om een norm te hanteren voor de oppervlakte aan groenblauwe structuren t.o.v. de oppervlakte aan verharding. Daarbij is het belangrijk om goed te letten op procedures die elkaar kunnen tegenwerken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van waterberging en de procedures voor ontgronding.

Deelsessie 7: Omgevingskwaliteit en duurzame energie

Vanuit het Energieakkoord en Klimaatakkoord is er een taakstelling voor de opwek van duurzame energie. In onze provinciale Energieagenda 2030 is de ambitie opgenomen voor 50% duurzame energie in 2030 en 100% duurzame energie in 2050. De uitvoering zal vooral plaatsvinden door de realisatie van wind- en zonprojecten. Hiervoor is beleid opgenomen in de (nu nog Interim) omgevingsverordening. Naast ruimtelijke uitgangspunten zoals clustering en plaatsing in gebieden die qua maat en schaal zich verhouden tot windturbines, toepassing van de zonneladder en mogelijkheden voor transformatie en meervoudig ruimtegebruik bij grondgebonden zonneparken in het landelijk gebied, betreft het voorwaarden met betrekking tot maatschappelijke meerwaarde, afstemming en tijdelijkheid. De discussie benadrukte dat de regie voor het aanwijzen van zoekgebieden bij gemeenten en provincie ligt, zoals bij de Regionale Energiestrategieën het geval is, maar dat er een goede omgevingsdialoog moet plaatsvinden. Daarnaast werd bij het thema windturbines uitgesproken dat een clustering uitgangpunt moet blijven, maar dat daar gemotiveerd, na brede belangafweging, van afgeweken kan worden, waarbij omgevingskwaliteit een belangrijk aspect is. Ten aanzien van zonneparken bleek er behoefte bij gemeenten te zijn aan een concretisering en scherpere formulering van de provinciale zonneladder.

Tot slot werd de stelling: ’Een gemeentelijke ruimtelijke visie voor de opwek van duurzame energie moet altijd instemming hebben van de omliggende gemeenten’ voorgelegd. Hierop reageerden de deelnemers verdeeld. Instemming is immers een zwaar instrument, waarmee de haalbaarheid van opgaven in het geding kan komen. Goed overleg met buurgemeenten is wel nodig, met name over zoekgebieden en initiatieven tegen de gemeentegrenzen gaat.